Aansluiting van aardgas

Elk huis heeft een eigen aardgasaansluiting. De leidingen daarvan lopen vaak onder het wegdek van de straat of van het trottoir door, en hebben bij elke voordeur een afbuigende tak. Op een vergelijkbare manier is het riool aangelegd, en ook veel andere nutsbedrijven leveren hun goederen via zo’n ‘boomstructuur’.

Het gas wordt bij voorkeur in metalen of kunststoffen leidingen getransporteerd. Het kan tevens onder druk (CNG, een afkorting voor Compressed Natural Gas, wat zoveel betekend als samengeperst aardgas), of in vloeibare vorm (LNG, Liqufied Natural Gas, vloeibaar gemaakt aardgas) worden vervoerd. Voor het vloeibaar maken zijn geen extra toevoegingen vereist: net als dat stikstof bij een bepaalde temperatuur van een gas veranderd in een vloeistof, gebeurt dat ook bij aardgas. Het omslagpunt hiervan (het kookpunt) is -162°C. Voor de opslag van aardgas is het gebruik van door de mens gemaakte containers geen vereiste: het is ook mogelijk om het gas op te slaan in ondergrondse gesteentelagen.

Als er een gaslek optreedt kun je dat meteen ruiken aan de karakteristieke geur. Sommigen vinden het lekker, anderen zeggen juist dat het stinkt, maar dat maakt hier niet uit: het gaat erom dat de lucht wordt geassocieerd met (weglekkend) aardgas. Het is echter goed om te weten dat aardgas van zichzelf reukloos is. De kenmerkende geur is dus helemaal niet zo kenmerkend, deze wordt namelijk pas later toegevoegd. Elk land is vrij om een geurstof voor uit te kiezen, zolang deze maar scherp ruikt, maar juist bij verbranding reukloos is. Anders stinkt het altijd, en dat is natuurlijk niet de bedoeling.