Verbruik elektriciteit

Eén van de kosten die elke maand terugkomen zijn de uitgaven voor gas, water en elektriciteit. Op de energierekening komt die laatste kostenpost terug in een aantal kilowattuur (kWh). Per kWh wordt er door de energieleverancier ongeveer 22 cent in rekening gebracht.

Het nadeel van het gebruiken van deze eenheid (kWh) is dat het een begrip is dat voor de normale mens vaak vrij vaag blijft. Kort uitgelegd is één kilowattuur de hoeveelheid energie die verbruikt (of, natuurkundig gezien, gebruikt) als een apparaat met een vermogen van één kilowatt (duizend Watt) één uur aanstaat. Om één kWh te verbruiken zou je een gloeilamp van 80 Watt (0,08 kilowatt) dus 12,5 uur aan moeten laten staan.

Het vermogen van allerlei apparaten verschilt behoorlijk. Bij een gloeilamp gaat het om een aantal Watts, maar een koelkast heeft een vermogen van 150 tot 300 Watt. Een stoomstrijkijzer maakt het nog bonter: duizend tot tweeduizend Watt (of: één tot twee kilowatt). Absolute topper is (niet geheel verrassend) een elektrisch fornuis: het vermogen daarvan ligt meestal op zo’n tienduizend Watt (tien kilowatt). Eén uurtje koken kost dus al ruim twee euro. Dat lijkt een klein bedrag, maar als het fornuis per week vijf uur aan staat gaat het al om veertig euro.

Het besparen van elektriciteit is relatief eenvoudig, dus dat verzacht te pijn. Houd vooral je verstand erbij en schakel elektrische apparaten uit als je ze niet meer nodig hebt. Dat geldt ook voor verlichting: doe die (in het geval van gloeilampen, bij spaarlampen ligt het iets anders) uit als je een kamer verlaat. Speciale aandacht verdienen zogenaamde ‘sluipverbruikers’: apparaten waarvan je denkt dat ze uit zijn, maar in werkelijkheid nog gewoon energie gebruiken. Goede voorbeelden hiervan zijn apparaten in stand-by stand. Zet de TV dus liever echt uit (met de knop) dan deze in stand-by te zetten. Het lijkt een kleine besparing, maar samen scheelt het elke maand flink wat geld.