spaarlamp

Eind jaren tachtig heeft de spaarlamp zijn intrede gedaan. De eerste spaarlampen waren relatief duur om aan te schaffen en hadden geen uitgesproken hoog rendement in vergelijking tot de huidige spaarlampen die goedkoper kunnen worden geproduceerd en ook veel efficiënter met energie omgaan. Een spaarlamp is als het ware een opgevouwen TL-lamp die geschikt is voor een normale lampfitting.

 

spaarlamp

 

Bij een spaarlamp wordt er stroom door een, met kwikdamp gevulde, buis gevoerd. Botst er nu een elektron uit de stroom tegen een kwikatoom dan kan hierbij een ander elektron uit zijn baden gestoten worden. Valt deze aangeslagen toestand terug naar de grondtoestand dan komt er energie, in de vorm van ultraviolette straling, vrij. Deze straling is voor de mens onzichtbaar. Daarom is er aan de binnenkant van de lamp een poederlaagje aangebracht dat fluorescenties vertoond. De UV-straling wordt daarmee omgezet in wit licht.

De voordelen van een spaarlamp zijn: een lange levensduur en laag energieverbruik. Gloeilampen gaan zo’n 1000 tot 1500 branduren mee terwijl spaarlampen wel 6000 tot 10000 branduren halen en sommige duurdere uitvoering zelfs nog meer. Bovendien geeft een spaarlamp vijf tot zes keer meer licht per Watt dan een gloeilamp.

Maar een spaarlamp heeft ook een nadeel. Doordat ze kwikdamp bevatten moeten ze bij het chemisch afval worden weggegooid. Wanneer er kwik in het milieu terecht komt is dit zeer schadelijk, ook voor de gezondheid van de mens. Maar er zit in een spaarlamp minder kwik dan er nodig is tijdens het productieproces van een gewone gloeilamp.