Fotovoltaïsche zonnepanelen

Zonnepanelen zijn er in verschillende soorten en maten. Er zijn zonnecollectoren, maar ook PV-panelen. Die laatste zijn ook bekend als ‘fotovoltaïsche zonnepanelen’, een term die is opgebouwd uit het Griekse woord photos (licht) en de eenheid voor elektrisch vermogen (Volt). PV-panelen zijn een veelgebruikte techniek om zonnewarmte in elektriciteit te converteren.

In dit type paneel gebeurt dat ook, terwijl er bij de zonnecollectoren water of een andere vloeistof wordt opgewarmd. Bij PV-panelen is dat dus niet het geval. Deze panelen zijn opgebouwd uit een zeer groot aantal zonnecellen, die gemaakt zijn van een stuk silicium (een materiaal dat erg veel wordt gebruikt in de elektronica-branche). Van dat materiaal worden twee lagen gebruikt, en dat is meteen het principe achter het hele paneel: door de eigenschappen van de stof gaat er een elektrische stroom tussen die twee lagen lopen. Deze wordt vervolgens afgetapt en in het huishouden gebruikt.

Het aftappen van de elektriciteit kan op een aantal manieren. Zo zijn er netgekoppelde systemen, waarbij de gewonnen energie aan het elektriciteitsnet wordt afgegeven. Vaak wordt de gewonnen stroom in eerste instantie gebruikt om aan de energiebehoefte van het gebouw waar de panelen op zijn geïnstalleerd te voldoen. Eventuele overtollige elektriciteit wordt teruggegeven aan de elektriciteitsleverancier. De verbruiksmeter loopt dan terug, zodat het de gebruiker (of leverancier) geld oplevert (zonnepremie).
Bij een andere aftapmogelijkheid komen accu’s kijken. Die techniek is vooral handig op afgelegen plekken, waar er geen elektriciteitsnet is om de gewonnen energie aan af te geven. Het is hierbij wel belangrijk om goed op de capaciteit van de accu’s te letten: als deze te laag is ligt het systeem na enkele dagen zonder zon al op z’n gat.
Een derde categorie wordt autonoom genoemd. Deze systemen zijn direct aan een apparaat gekoppeld, wat wordt aangedreven met de elektriciteit die door het paneel wordt gegenereerd.